Milas
Niet ver van de plaats waar de weg naar Bodrum zich afsplitst van de route van Izmir naar Mugla en Marmaris ligt dit stadje met ongeveer 35.000 inwoners in een breed dal met vijgen- en olijfbomen. Vanaf de tijd van Alexander de Grote tot en met de komst van het christendom was het oude Myiasa het religieuze centrum van Carië (het zuidwesten van het huidige Turkije). De stad was verbonden met een tempel voor de opperIgod leus. die door duizenden mensen werd bezocht. Van de gebouwen uit de oude stad zelf is niets bewaard gebleven, maar op de met Corinthische zuilen uitgevoerde stadspoort ziet u nog wel de twee bijlen die het symbool vormen voor leus. Ten zuiden van het centrum treft u een mausoleum aan, waarvan de architectuur vergeleken kan worden met het beroemde voorbeeld uit Bodrum. Milas bezit ook enkele mooie 14eeeuwse moskeeën.

Vijftien kilometer ten noorden van Milas liggen aan het einde van de 'Heilige Straat' de resten van het Zeusheiligdom van Labranda. De vondsten die hier vlak na WO 2 naar boven kwamen, hebben veel toegevoegd aan de kennis over het volk van de Cariërs, waarvan koning Mausolos de bekendste heerser was (zie Bodrum). Tijdens zijn regering in de 4e eeuw v. Chr. werden hier de meeste paleizen en tempels gebouwd. In de heilige plaats werd op het hoogtepunt van het Carische rijk bij een bronhuisje door duizenden mensen levenskrachtig water aanbeden. De zogenaamde 'mannenhuizen' werden waarschijnlijk gebruikt voor religieuze bijeenkomsten.
Vlak voordat u vanuit Milas het aan de weg naar Izmir gelegen Bafa Gölü bereikt (30 km), voert een weg naar de op de noordelijke oever van dit meer gelegen ruïnes van Herakleia. Ook daar werd in de 4e eeuw v. Chr. een grote nederzetting gebouwd onder de Carische koning Mausolos.ln zijn tijd maakte het Bafa Gölü nog deel uit van een inham van de Egeïsche Zee. Totdat de rivier de Meander de verbinding met de zee deed verzanden, was Herakleia dan ook een belangrijke havenstad. Een late bloei- tijd maakte de plaats mee tussen de 7e en de 13e eeuw, toen Byzantijnse christenen zich op deze inmiddels afgelegen plaats in grote kloosters terugtrokken voor de Arabieren en de Turken. De stad was toen zelfs de zetel van een bisschop. Binnen de oostelijke stadsmuren ziet u direct links het Byzantijnse kasteel dat werd bewoond door deze prelaat. Aan de voet van de resten van deze vesting ziet u een groot aantal Carische grafmonumenten, en even verder naar het westen de eveneens gedeeltelijk in de rotsen uitgehakte Endymiontempel uit dezelfde periode. In het noorden van de plaats zijn nog een agora en een Athenatempel uit de tijd van Mausolos te zien. In het boven de stad gelegen Latmosgebergte bevinden zich de Byzantijnse kloosters en de cellen van monniken die hier als kluizenaarleefden
























